skip to Main Content

 

OORSPRONG

 

Het Gravensteen is één van de oudste stenen gebouwen in Leiden en werd gebouwd in opdracht van de graaf van Holland. 

In 1463 droeg Philips de Goede het gebouw aan de stad over waarna het de functie van gevangenis voor de stad Leiden en het Rijnland kreeg. Stedelijke doodstraffen werden vanaf dat moment op het plein voor het Gravensteen, het huidige Gerecht, ten uitvoer gebracht. 

 

GEVANGENEN

De cellen (zowel op de begane grond als de kelders) werden bevolkt door drie typen gevangenen. Ten eerste waren dat de mensen die misdrijven hadden gepleegd: dieven, vechtersbazen, valsemunters, oplichters, moordenaars, maar ook mensen die vanwege hun geloof als ketters werden beschouwd. Ten tweede waren dat mensen die preventief voor korte tijd werden vastgezet (vaak opgespoord door premiejagers): bedelaars, landlopers, maar ook ex-soldaten die wel geleerd hadden te plunderen maar niet wisten hoe het werken ging. De derde categorie werd gevormd door de gegijzelden: vaak hooggeplaatsten die werden vastgehouden voor losgeld. 

De gevangenen in het tuchthuis werkten voor de Leidse lakenindustrie. De vrouwelijke gevangenen in het spinhuis sponnen wol. De mannen in het rasphuis raspten het keiharde Braziliaanse hardhout, zodat de rode kleurstof uit het hout kon worden gekookt en kon worden gebruikt in de ververij. 

 

 

Rechters hadden grofweg de keuze uit een vrijheidsstraf, schandstraf, geldstraf, lijfstraf of de doodstraf. In het Gravensteen werd ook gemarteld, en veel terechtstellingen vonden in stilte plaats. De lichamen van overleden gevangenen werden soms begraven in een hoekje met ongewijde aarde van het Pieterskerkhof, soms werden ze versleept naar het Galgewater waar ze ter afschrikking aan de galg werden gehangen. Sommige straffen stonden al vast; valsemunters werden bijvoorbeeld in olie gekookt, hooggeplaatsten hadden de eer te worden onthoofd (een snelle dood, tenzij een slechte beul was ingehuurd). Anderen werden geradbraakt, opgehangen, verdronken of gewurgd (vrouwen werden vooral met deze laatste twee methodes ter dood gebracht). Toch lijkt het aantal terechtstellingen groter dan het in werkelijkheid was. Er gingen jaren voorbij zonder een terdoodveroordeling. Nu en dan echter moest een voorbeeld worden gesteld of een halsmisdaad worden bestraft.


Naast het cellenblok hebben nog enkele cipiershuisjes gestaan. Cipiers waren, behalve bewakers, een soort zzp’ers. Gevangenen kregen als basis water en brood en de stad betaalde de cipier hiervoor; wie als gevangene betere verzorging wilde, moest bijbetalen (model-Easyjet). De cipier was ook aansprakelijk als gevangenen de benen namen. In het Gravensteen bevindt zich nog een volledig betegelde ruimte die dienst deed als (bedrijfs) keuken.

 

 

 

 

 

 

Het Gerecht is een pleintje in de Pieterswijk in de binnenstad van Leiden.

Het plein wordt gedomineerd door het Gravensteen, de vroegere stadsgevangenis. 

Aan deze functie ontleent het plein ook zijn huidige naam. Het pleintje voor het Gravensteen, dat omringd was door een gracht, werd als executieplaats gebruikt en ‘Het Groene Zoodje’of ‘Schoonverdriet’ genoemd.

Bron: wikipedia.org/wiki/Gerecht_(Leiden)

 

 

 

Aan het eind van de negentiende eeuw raakte het gebouw steeds meer in onbruik. Het strafrecht werd na 1811 naar Frans recht overgeheveld naar arrondissementsrechtbanken; toen was het gedaan met stedelijke rechtspraak. De laatste executie op het Gravensteen werd in 1856 voltrokken, ditmaal op het ruimere Pieterskerkhof in plaats van het ‘groene zoodje’. De boerenknecht Adrianus Blom uit Hazerswoude werd opgehangen wegens moord op de 18-jarige Maria Van Velsen.

 

Bron: Erfgoed Leiden

Back To Top