skip to Main Content

 

 

Onkruid toen en nu

Gedicht door schrijver Ids Vlieg: 

Gehoornde klaverzuring 

Je zaait je gulzige zaden
in kieren en in naden.
Ongegeneerd op mijn terras,
ik wist niet dat jij dat was.
 
De zon schijnt  tussen je klaverhartjes,
bloeiend in vijf gele partjes.
Tja, je bent een zogenaamd onkruid,
toch zie je er lief en aantrekkelijk uit.
 
Ik ben in het ongewisse,
mag je blijven, wil ik je missen?
Zal ik je citroenklaver proeven
of eerder het zoet dan zuur behoeven?
 
Bij mij zitten  je wortels diep,
onder de tegels in het geniep.
Groeit fanatiek en zonder sturing.
Wat moet ik met “mijn” gehoornde klaverzuring?
 
Zij die het kunnen weten
zeggen dat je bent te eten.
Of ik dat doe is zeer de vraag,
want ik zit nu al met je in de maag……

De tijd dat wilde planten gezocht, geplukt, gekweekt, gegeten, toegepast en voorgeschreven werden, ligt ver achter ons. Tegenwoordig is er echter een opleving te bespeuren bij zowel natuurliefhebbers als topkoks. Werd de brandnetel al in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw in ere hersteld door de ’geitenwollensokkentypes’, die er achter de toonbank van de reformwinkel altijd zo pips uitzagen, aan de andere kant van het spectrum zijn restaurant- en thuiskoks weer op zoek naar daslook, hopscheuten en molsla. In andere Europese landen, waar het eten uit de natuur niet uit de cultuur is verdwenen, worden wedstrijden gehouden wie in een uur de meeste (ongekookte) brandnetels kan verorberen.

Bontjes oma en tante leerden haar als kind al alles over eetbare gewassen. “Vroeger vonden we deze kennis heel normaal. Zo plantten boeren voorheen als eerste een vlier bij hun boerderij, vanwege de koortsregulerende bloesem in het voorjaar en de aansterkende bessen in het najaar. En nog geen honderd jaar geleden gaven huisartsen geregeld geneeskrachtige planten aan patiënten mee, vaak uit eigen tuin.

De geschiedenis omtrent plantengroei zoals we die nu aantreffen begint omstreeks 12.000 jaar geleden in de nadagen van de laatste ijstijd. Door onderzoek naar stuifmeelkorrels die in de grond zijn gevonden, weten we dat planten als Wilgenroosje en Korenbloem toen al hier voorkwamen. De eerste grote groep onkruiden kwam naar ons land toen de eerste groepen mensen zich hier vestigden. Zij begonnen met het bedrijven van een zeer primitieve vorm van landbouw. Met hun voedselgewassen brachten deze landbouwers ook een aantal onkruiden mee, zoals Klaproos en Gele ganzenbloem. Naarmate de landbouw zich uitbreidde op de hooggelegen zandgronden, ontstonden steeds meer mogelijkheden voor akkeronkruiden om zich te vestigen. De Romeinen, die omstreeks de jaartelling ons land veroverden, verrijkten de flora opnieuw met een aantal soorten.

Men zou kunnen denken dat zo’n nieuwe soort niet kan concurreren met de planten die al vaste voet in een gebied hebben gekregen. Nieuwe soorten zijn echter vaak ongevoelig voor de ziekten en plagen waar de reeds gevestigde planten aan lijden. Een nieuwe soort past juist in een ‘niche’ die nog niet door inheemse planten was bezet. Onkruiden zijn per definitie agressief van aard. Wanneer ze in uw tuin verschijnen, gedragen ze zich dan ook net als die indringers uit vroegere tijden, die zonder ten prooi te vallen aan natuurlijke vijanden, in staat waren de planten die er eerder waren van hun plaats te verdringen.

De verspreiding van het Christendom bracht ook de monniken naar onze streken. Zij kweekten in hun kloostertuinen planten als voedsel voor geneeskundige doeleinden. Sommige van deze planten zagen kans te ontsnappen, een deel van de inheemse flora te worden en van daaruit weer als onkruid naar onze tuinen terug te keren. Een van de onkruiden die we waarschijnlijk aan de monniken te danken hebben is het Zevenblad. De wetenschappelijke naam van deze plant luidt Aegopodium podagraria, afgeleid van podagra = voetjicht, hetgeen erop wijst dat Zevenblad als geneeskruid tegen deze aandoening gekweekt werd.

Toen in de zestiende eeuw en later steeds meer intensieve contacten ontstonden met verre landen, kwamen ook heel wat planten uit die streken naar ons land. Sommige werden opzettelijk meegebracht als sierplant, andere kwamen zonder opzet mee. Uit beide groepen zagen planten kans zich hier aan te passen en een plaats in onze flora in te nemen. Bekende voorbeelden zijn Canadese fijnstraal, Herderstasje, Canadese waterpest en Knopkruid. Andersom zijn natuurlijk ook vele Europese planten naar andere werelddelen vervoerd, waar ze eveneens vaak tot lastige onkruiden zijn geworden. Een berucht voorbeeld hiervan is de Grote weegbree. (‘Het voetspoor van de blanke’)

Tuinplanten die onkruiden zijn geworden

We wezen er al op dat sommige soorten die als sierplanten in onze streken werden ingevoerd, kans zagen zich beter aan te passen dan gewenst was. Zo werd in de zeventiende eeuw uit Amerika de Guldenroede ingevoerd, een plant die nog steeds als tuinplant wordt gekweekt, maar die we ook als onkruid tegenkomen.

Chrysanthemum parthenium, het Moederkruid, lijkt een prachtige plant, maar is niet binnen de perken te houden en woekert enorm. Zo ook de Viltige hoornbloem en soorten viooltjes. De Gele helmbloem (Corydalis lutea) moet ook een aparte plaats hebben voor de goudgele bloemen gedurende de gehele zomer. Maar hij zaait zich verschrikkelijk uit en moet goed in bedwang gehouden worden. Nog erger is de Knikkende vogelmelk, die je niet zonder hartzeer kunt verwijderen, omdat hij zulke verfijnde groen-met-witte trosjes bloemen heeft die op water zo lang goed blijven. Je kunt er echter zeker van zijn dat hij rozen naar het leven staat en je raakt hem nooit meer kwijt. Je kunt hem met scheppen tegelijk uitgraven en het volgende voorjaar komt hij toch net vrolijk weer op. Maar ja, in ieder geval sterven de bladeren ’s zomers af.

De aren van de lupinen moeten afgesneden worden voor ze in het zaad schieten, want anders worden ze snel een plaag. Dit geldt ook voor de Boomlupine, hoewel ik altijd enkele ervan zaad laat voortbrengen. Ze komen altijd soortecht terug. Dit in tegenstelling tot de kruidachtige soorten uit de border, die soms verschrikkelijke nakomelingen krijgen doordat ze zo gemakkelijk kruisen.

Siergrassen worden steeds meer gekweekt. Ook deze moeten geplukt worden voordat het zaad rijp is, omdat u anders later overal Trilgras en Hazestaartjes zult vinden.

Bij het woord onkruid denkt ment niet zo snel aan bomen. Toch kan de Esdoorn met zijn gevleugelde vruchten een echt onkruid worden, net als de Es. En het lijkt wel of je de zaailingen pas ontdekt, als ze een flinke hoogte bereikt hebben. Vlierstruiken hebben ook de gewoonte om zogezegd achter je rug groot te worden en de Sneeuwbes (Symphoricarpus rivularis) kan met al zijn uitlopers eveneens een verschrikking worden.

Nog een struik die gemakkelijk te veel ruimte in beslag gaat nemen, is de gewone Rhododendron ponticum. Als de struiken eenmaal goed aan de groei zijn, planten ze zich vegetatief voort, waardoor het een moeilijke zaak wordt ze uit te roeien of zelfs maar in bedwang te houden.

U zult het met mij eens zijn dat een plant als de Gehoornde klaverzuring (Oxalis corniculata) met zijn kruipende groeiwijze niet getolereerd kan worden, vooral wanneer hij in het gazon terechtkomt. Maar wat te denken van het Akkerklokje, Campanula rapunculoides, met zijn mooie blauwe bloemen? Bent u van plan de waarschuwing in uw oren te knopen dat zijn uitlopers binnen korte tijd een dicht tapijt zullen vormen dat nauwelijks in bedwang te houden is? En gaat u de hyacinten zaad laten zetten tot ze door hun overvloed een probleem vormen? ‘De een zijn bloem is de ander zijn onkruid.’ Uiteindelijk is het aan uzelf om te beslissen.

Nieuwe onkruiden om ons het leven zuur te maken

Natuurlijk houdt het hiermee niet op. Nieuwe onkruiden kunnen morgen opduiken. Naarmate de transportmogelijkheden toenemen en meer en meer mensen op reis gaan, grijpen onkruiden hun kans om van continent naar continent mee te liften. Zo zijn onkruiden nu eenmaal. Ze zijn er voor toegerust om te reizen en dat doen ze dan ook.

Een nieuw onkruid kan gemakkelijk ingevoerd worden samen met een gesmokkelde plant. Nieuwe onkruiden kunnen zich verspreiden uit afvalhopen waar verpakkingsmateriaal is gestort. Een flinke hoeveelheid van de giftige Doornappel ontkiemde, toen een kennis van mij na een lange reis een koffer had uitgeschud. In Amerika verspreidt de nog niet zo lang geleden ingevoerde Gladde witbol (Holcus mollis) zich als een lopend vuurtje. Ingevoerd, ongezuiverd zaad levert ons onwelkome gasten op. Uit Noord-Amerika is het parasitisch levende Veldwarkruid (Cuscuta campestris) gekomen, dat vooral de laatste jaren vrij veel wordt aangetroffen, woekerend op planten als Bonenkruid, Tomaat en Peen. Het houdt zich met behulp van zuignapjes op de oranje-gele stengels vast aan de gastheren, die tevens het voedsel leveren.

Vogelvoer dat wordt uitgestrooid op voederplaatsen is ook een bron van waaruit vreemdelingen zich verspreiden. Zeewier dat als een mulchlaag wordt gebruikt, bevat vaak afval van planten zoals grassen. Een aantal ongenode en onplezierige gasten komt ook in onze tuinen door middel van in pot gekweekte planten uit kwekerijen. Voorbeelden hiervan zijn dwergsoorten van Ereprijs. Amsinckia intermedia, die vrij kort geleden met lijnzaad mee naar Engeland kwam, heeft daar al vaste grond onder de voeten gekregen en verspreidt zich zeer snel.

E.A. Bowles, de beroemde tuinier wiens twee hectare vol schoonheid in Enfield, Middlesex wereldberoemd werd, was eens op plantenjacht bij Biarritz aan het eind van de vorige eeuw, toen hij oog in oog kwam te staan met een vijver die een schitterende scharlakenrode kleur had door de drijvende varen Azolla caroliniana (Klein kroosvaren). Hij zond wat van ‘deze prachtige watervaren’ naar huis en was bij zijn terugkeer verrukt toen hij zag hoe de planten zich in schoonheid hadden vermeerderd met hun tere, fluwelige, fijnverdeelde blaadjes van groen en karmozijn. Hij merkte ook op hoe leuk het was ermee te spelen, door ze onder wat te duwen en te zien hoe ze weer tevoorschijn kwamen. Droog als daarvoor, maar misschien met een paar druppeltjes op de bladeren die in het zonlicht glansden als diamanten. In zijn vijver namen ze voortdurend in aantal toe. Voordat juni ten einde was, waren al kruiwagens vol verwijderd om het water  te kunnen zien. Toen de winter kwam, vroren de plantjes vast in het ijs en toen het ijs weer smolt waren ze mooier dan ooit, met een nog diepere karmozijnrode kleur. Ze kwamen ook terecht in de vijvers in de rotstuin (en weigerden zich te laten uitroeien). Gelukkig overleefden ze de daaropvolgende strenge winter niet. De Kleine kroosvaren komt ook in ons land in enkele streken voor, na vroeger hier veel algemener te zijn geweest. De Grote kroosvaren, die eveneens oorspronkelijk uit Amerika afkomstig is, weet zich ook op enkele plaatsen te handhaven.

Mest van de boerderij, geïmporteerde bovengrond, afval van sojabonen, veevoer, goederentreinen en zelfs onschuldige lijkende zakken compost: dat zijn nog maar enkele van de bekende brengers van nieuwe indringers. Ze zullen blijven komen. Wanneer we in onze tuin een plant vinden die de trekken van een onkruid vertoont – ver uiteenlopende wortels, kleine bloemetjes die veel zaad voortbrengen – dan moeten we zien er meer over te weten te komen. Wie weet? Misschien is hij even onschuldig als de uit Azië afkomstige Reuzenbalsemien (Impatiens glandulifera), die we vooral in het gebied van onze grote rivieren nogal eens tegenkomen op onverwachte plaatsen. Maar ook hij kan een plaag gaan vormen. Het is goed eraan te denken dat de meeste onkruiden niet inheems zijn in de landen waar ze last veroorzaken. Want onkruiden hebben de gewoonte steeds nieuw terrein te veroveren en dat terrein kan uw tuin zijn.

 

 

Bronnen:

https://www.floravannederland.nl/planten/gehoornde_klaverzuring

https://www.trouw.nl/nieuws/onkruid-bestaat-niet~bc41b727/?referrer=https%3A%2F%2Fwww.google.com%2F

https://www.trouw.nl/nieuws/wegwijs-in-de-kruidentuin-hoe-gebruik-je-planten-als-medicijn~b91f1831/

https://www.tuinpedia.nl/onkruid/#:~:text=Hoe%20onkruiden%20naar%20ons%20land,Korenbloem%20toen%20al%20hier%20voorkwamen.

Back To Top